Breero is moe
Breero is moe:
hij heeft den heelen dag door Amsterdam geloopen,
geslenterd en gedagdiefd, rondgeloopen
langs de kaden en het wijde glinsterende water
en de snelle booten
die erover glijden met hun hooge zeilen
die als groote witte vlerken zijn
en als ijle zachte nooit vervulde droomen.
hij heeft gezworven langs de bronzen grachten,
over de bruggen die hem liever werden
dan de slankste ruggen, hij heeft gehangen over balies
en omlaag gestaard.
soms stond hij stil bij een vervallen poort
waarin het altijd nacht scheen,
soms liep hij sneller langs een open water
en lachte in den wijden zachten morgen
en lonkte naar de meiden; hij liep
langs muren, tusschen tuinen, door vervuilde stegen
en door de smalle kronkelende straten
van zijn onsterfelijk, prachtig Amsterdam
doelloos en vroolijk, schuw en uitgelaten
en in zijn hart een vlam, een vlam, een wilde vlam!
rusteloos, uitgehongerd, onverzadigd
branden zijn voeten en zijn hart en nu vooral zijn keel
en uitgeput valt hij neer bij de tonnen
onder de zacht verlichte kegels van de olmen
voor een taveerne die nog open is;
— goddank, goddank, de kroegen zijn nog open,
er kan gezongen worden, gedronken en gedanst.
— Hendrik Marsman, uit een dunne bundel met koffievlek, gevonden zaterdag bij de drukkerij in de Pijpstraat —